Politici over woonproblematiek

Vraag van Jacinta de Roeck in de Senaat aan Minister Dupont

Vraag

Demande d'explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre de la Fonction publique, de l'Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l'Égalité des chances sur «les activités des groupes de travail créés à l'occasion de la conférence interministérielle du logement» (nº 3-1478)
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik waardeer ten zeerste dat de minister persoonlijk aanwezig is.
In juli van 2005 hield de minister een interministeriële conferentie over het thema huisvesting. De vraag naar zo een initiatief was en blijft dringend, omdat de huursector met zware problemen kampt. Vele huurders bevinden zich in een sociaal zwakke positie, waardoor de problemen op de private, en ook op de sociale huurmarkt een grotere budgettaire impact hebben.
Tijdens deze conferentie werd beslist om tien werkgroepen op te richten. Zo kon elke werkgroep zich buigen over een specifiek onderdeel van de woonproblematiek, met de nodige expertise. Nu blijkt dat niet alle werkgroepen op schema zitten. Daardoor bestaat het gevaar dat deze conferentie niet tijdig afgerond raakt om nog tijdens deze regeerperiode enkele voorstellen te concretiseren.
Welke timing stelt de minister voorop om de werkzaamheden van de werkgroepen af te ronden en met concrete voorstellen naar buiten te treden? Welke concrete voorstellen hebben de werkgroepen al geformuleerd?
Welke werkgroepen lopen momenteel vertraging op? Welke deelthema's behandelen zij? Wat is de reden van hun vertraging?
Wat zal er besproken worden tijdens de volgende interministeriële conferentie omtrent huisvesting? Zullen er dan opnieuw engagementen worden aangegaan?

Antwoord

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De vraag van mevrouw De Roeck is zeer actueel. De eerstvolgende bijeenkomst van de Interministeriële Conferentie Stedenbeleid en Huisvesting was immers voor morgen gepland. De bedoeling van deze bijeenkomst was een stand van zaken te maken van de werkzaamheden in de verschillende werkgroepen. De datum was echter niet geschikt voor een aantal collega's. Daarnaast kwam de vraag om de voorstellen meer gedetailleerd uit te werken. De bijeenkomst werd dan ook uitgesteld tot begin mei.
Als voorzitter kan ik niet anders dan tevreden vaststellen dat de collega's bereid en vastberaden zijn om tot concrete, goed voorbereide en politiek gedragen oplossingen te komen. Ik beschouw het als een engagement om het instrument van de Interministeriële Conferentie ten volle te benutten als plaats van overleg.
Toch mogen we de realiteit niet uit het oog verliezen. De problemen op de huisvestingsmarkt zijn zo accuut dat we snel en in coördinatie oplossingen moeten aandragen. Ik zal dan ook niet dulden dat de zaken nog verder voor ons uit worden geschoven. Het engagement van de collega's moet ook tot uiting komen in een strikte timing en concrete prioriteiten.
De werkgroepen zetten bijgevolg op een gedreven tempo de werkzaamheden voort. Ik geef een beknopt overzicht van de stand van zaken.
De drie proefprojecten inzake paritaire huurcommissies in Brussel, Gent en Charleroi zijn opgestart. Versterking van de huurbemiddeling, het uitwerken van een ontwerpschema voor de bepaling van de huurprijzen en de opstelling van een typehuurcontract met betrekking tot de hoofdverblijfplaats zijn de opdrachten. Een wetenschappelijk team begeleidt het hele gebeuren. Dat team is reeds aan het werk.
De Werkgroep ‘Strijd tegen discriminatie in de huisvesting’ heeft in aansluiting op de Antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 verschillende sporen verkend, die nu verder worden uitgewerkt, zoals onder andere sensibiliseringscampagnes naar de openbare en de particuliere huisvestingssector, de opname van non-discriminatieclausules in de deontologische code van de vastgoedmakelaars, en de verplichting om huurprijzen in advertenties bekend te maken.
De werkgroep ‘Strijd tegen onwaardig wonen’ werkt aan een betere coördinatie tussen de verschillende federale en regionale reglementeringen en aan de optimalisering van het opeisingsrecht.
In de werkgroep ‘een betere toegang tot de huurmarkt voor iedereen waarborgen’ worden modellen onderzocht die moeten leiden tot de oprichting van een huurwaarborgfonds.
De werkgroep ‘opvang van daklozen en/of mensen zonder papieren’ heeft in directe dialoog met de sector de problematiek diepgaand geanalyseerd. Een punctueel initiatief op federaal niveau is de gezamenlijke rondzendbrief van collega Dewael en van mezelf. Met die rondzendbrief trachten wij de aanvraagprocedure voor een referentieadres te optimaliseren en stellen we 12 interculturele bemiddelaars aan in het kader van de integratie van mensen in de grootsteden die aangewezen zijn op bedelarij.
In het kader van de werkgroep ‘solidair wonen’ heeft de POD Maatschappelijke Integratie een wetenschappelijk team belast met volgende opdrachten: een onderzoek naar de definitie van het concept ‘solidair wonen’ en van het doelpubliek waarop het is gericht; een onderzoek naar de budgettaire weerslag op de sociale zekerheid, meer bepaald inzake werkloosheidsuitkering, ziekte- en invaliditeitsverzekering, kinderbijslag; het uitwerken van een voorstel voor een wettelijke erkenning.
De werkgroep fiscaliteit verkent verschillende sporen: maatregelen inzake BTW, maatregelen inzake registratie- en zegelrechten en maatregelen inzake onroerende voorheffing en personenbelasting.
Verder onderzoekt een werkgroep hoe de huisvestingshulp administratief vereenvoudigd kan worden. De Gewesten en de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid onderzoeken hoe de overdracht van informatie kan worden geautomatiseerd.
De werkgroep die zich buigt over de rol van de Regie der Gebouwen, stelt momenteel een lijst op van leegstaande, onverkoopbare gebouwen en onderzoekt of het haalbaar is om die ter beschikking te stellen.
Uit dit overzicht blijkt duidelijk de meerwaarde van de gevolgde methodologie: de werkgroepen zijn een katalysator voor de discussie over actuele vragen inzake huisvesting. Ze zijn een plaats waar de verschillende beleidsniveaus en de actoren rechtstreeks met elkaar kunnen dialogeren. Bovendien stimuleren ze de verschillende partners om concrete initiatieven te nemen.
Welke werkgroepen lopen momenteel vertraging op? Welke deelthema's behandelen ze? Wat is de reden van hun vertraging?
Vertraging is in dezen een relatief begrip. Door de aard van de inhoud hebben sommige werkgroepen automatisch een langere looptijd. Zo begeleidt een werkgroep de uitbouw van het proefproject Paritaire Huurcommissies dat over twee jaar loopt en begeleidt een andere werkgroep de al langer lopende studie over de solidaire huisvesting.
De werkgroep die zich buigt over de gevolgen van het spreidingsplan van de asielzoekers op de huisvesting en de leefkwaliteit in de steden, is als enige tot nu toe nog niet bijeengekomen. Ook dat heeft te maken met de aard van het onderwerp. Die werkgroep staat meer in voor de voortgangscontrole dan voor het uitwerken van concrete voorstellen.
Wat zal er besproken worden tijdens de volgende interministeriële conferentie omtrent huisvesting? Er werd uitdrukkelijk voor gekozen om op een volgende interministeriële conferentie duidelijke afspraken te maken rond concrete prioriteiten en voorstellen. Op de interministeriële conferentie worden punten uitgewerkt die op het raakvlak zitten van verschillende bevoegdheidsniveaus. Intussen werken de partners op hun eigen bevoegdheidsdomein concrete punctuele maatregelen uit. Dat is in ieder geval zo op federaal niveau voor de registratie van huurcontracten en voor het huurwaarborgfonds, waarover werkgroepen debatteren.
De interministeriële conferentie is in ieder geval een permanent gegeven en zal dat ook blijven. Ook na de volgende interministeriële conferentie zullen de werkgroepen blijven voortwerken. De hele problematiek op één bijeenkomst willen oplossen zou mijns inziens van overdreven optimisme getuigen.
Het belangrijkste is dat er concrete vooruitgang wordt geboekt. De behandeling van sommige dossiers verloopt vlot, voor andere ligt dat wat moeilijker. Ik denk dan aan de dossiers die betrekking hebben op taksen. Op een bepaald ogenblik zullen we echter knopen moeten doorhakken.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Toen de Interparlementaire Werkgroep Vierde Wereld in het begin van deze zittingsperiode de mensen in armoede vroeg welke hun prioriteiten waren, kregen we een duidelijk en resoluut antwoord, namelijk ‘wonen’.
Wonen is voor die mensen een heel complex begrip en ze zijn er zich van bewust dat er vele knelpunten zijn. Zo is dit een bevoegdheid van zowel de federale overheid als van de Gewesten. Ze begrijpen ook dat er geen eindoplossing kan zijn, zolang niet alle facetten van het probleem geregeld zijn.
We hebben vanmorgen nog een vergadering gehad met vertegenwoordigers van Vlaanderen en Brussel over het Huurwaarborgfonds. Er werd in die vergadering gesproken over zaken die de minister net aangehaald heeft, namelijk de registratie, de huurcommissie, het solidaire wonen, de huurwaarborg, de asielzoekers, het referentieadres.
Ik heb er alle vertrouwen in dat de minister zijn collega's zal aansporen om vooruitgang te boeken. Er ontstaat heel wat vertraging omdat de mensen in armoede, en vooral de daklozen, zelf bij de werkzaamheden worden betrokken. Wij moeten zeker eerst in eigen boezem kijken alvorens daarop kritiek te uiten want wij werken soms ook traag. Deze mensen zijn in oktober beginnen werken aan een wetsvoorstel en vanmorgen hebben ze voor de eerste keer hierover feedback kunnen geven.
Samen met mijn collega's blijf ik de mensen in armoede verdedigen en ik hoop dat tegen het einde van deze regeerperiode een aantal concrete voorstellen zullen kunnen worden goedgekeurd. Dat is absoluut nodig, want de situatie is er na deze lange en strenge winter niet minder schrijnend op geworden. De verwarmingsfacturen zullen hoog oplopen.
Ik apprecieer de aanwezigheid van de minister want het is niet meer de gewoonte dat een minister op donderdagavond nog een persoonlijk antwoord komt geven.
(bron Sénat de Belgique Annales JEUDI 23 MARS 2006 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI)

SPa standpunten over de woonproblematiek

Waarom zijn er zo weinig sociale woningen bijgekomen?

 
Om meer mensen in Vlaanderen aan een betaalbare en behoorlijk woning te helpen, hebben we een actief Vlaams woonbeleid nodig. In vergelijking met onze buurlanden is het aanbod aan sociale woningen in Vlaanderen nog steeds erg laag, terwijl steeds meer mensen zich als kandidaat opgeven voor een sociale woning. Na de vertraging van 2004 die vooral te maken heeft met techniek (vanaf 2004 gebeuren de vastleggingen op basis van gunningsdossiers i.p.v. aanbestedingsdossiers) werd vorig jaar een inhaalbeweging gemaakt. 2005 was een absoluut recordjaar voor de investeringen in de sociale huisvesting. In totaal werd er geïnvesteerd in 10.599 sociale woningen. De geleverde inspanning zal in de begroting 2007 voortgezet worden. Maar de middelen die de Vlaamse overheid ter beschikking stelt voor sociale huisvesting, moeten ook dringend op een andere manier toegewezen worden om het groeiritme van de sociale woningbouw te kunnen verhogen. Want op het terrein stellen we vast dat de beschikbare overheidsmiddelen niet langer evenredig omgezet worden in nieuwe sociale woonprojecten. Meer en meer sociale huisvestingsmaatschappijen realiseren geen nieuwe bouwprojecten meer, maar doen enkel nog aan renovatie. Uit het jaarverslag 2005 van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij blijkt dat van de ruim 10.000 sociale woningen waarin vorig jaar geïnvesteerd werd, dit in meer dan 70% van de gevallen om renovaties ging. In 2005 werden slechts 2.789 sociale woningen gebouwd. In Gent zijn de maatschappijen al geruime tijd gestopt met het bouwen van sociale woningen omdat hun projecten verlieslatend zijn. Vorige week nog haalde de grootste sociale huisvestingmaatschappij van Antwerpen de pers met de vaststelling dat ze geen geld heeft voor nieuwbouw. De prioriteit gaat er noodgedwongen naar renovatie maar zelfs daarvoor ontbreken de middelen om alles in één keer te renoveren.
 
Dat de sociale huisvestingsmaatschappijen het de laatste jaren financieel steeds moeilijker hebben, is bekend. Een belangrijke oorzaak van hun financiële problemen ligt bij de dalende huurinkomsten die het gevolg zijn van de grote instroom van huurders met een laag inkomen. Bij nieuwe projecten haalt de reële huur soms nauwelijks nog 60% van de basishuur. Nieuwe bouwprojecten zijn ook veel duurder geworden. Zowel de aankoopprijzen van huizen en gronden als de bouwkosten zijn gestegen. Het huidige financieringssysteem is hier niet op afgestemd met als gevolg dat nieuwe projecten niet meer rendabel zijn omdat de financieringskost samen met de werkingskosten van een sociale huisvestingsmaatschappij hoger zijn dan de verwachte huuropbrengst. Dankzij de invoering van de verhuursubsidie voor maatschappijen die veel huurders met een laag inkomen huisvesten, konden heel wat sociale huisvestingsmaatschappijen zich nog staande houden. Maar deze oplossing volstaat niet om opnieuw de nodige dynamiek in de sector op gang te brengen. De veelheid aan financieringssystemen en subsidiëringsmaatregelen voor de sociale huisvesting maakt het ook moeilijk om een doelgericht beleid te voeren. Er is dus echt nood aan een nieuw financieringssysteem dat de sociale huisvestingssector beter in staat stelt om aan de verwachtingen te voldoen. Wij vragen dan ook dat er spoed wordt gezet achter de beloofde structurele hervorming van het financieringssysteem van sociale woningbouw zodat een nieuwe impuls kan gegeven worden aan deze sector waar de maatschappelijke nood zo hoog is.
 

Hoe zien wij het recht om kavels voor te behouden?

 
In het Vlaams regeerakkoord is afgesproken dat het aansnijden van woonuitbreidingsgebieden gebeurt na een screening waarbij het gemeentebestuur zal aantonen op welke wijze er naar wordt gestreefd een gezonde mix te realiseren van normale kavels, sociale kavels (onder de marktprijs) en/of sociale huur en/of koopwoningen in functie van de omvang van het woonuitbreidingsgebied. Private en openbare initiatiefnemers worden in voorkomend geval gestimuleerd om de gewenste sociale mix gezamenlijk te realiseren. Daarbij zal de verkavelingsvergunning bijzondere aandacht hebben voor de maximale oppervlakte van de percelen. De Vlaamse regering zal tevens een indicatief percentage aan sociale kavels vaststellen. In die gemeenten waar een nader te bepalen minimale norm aan sociale woningen niet wordt gehaald zal dit percentage hoger zijn. Tevens zal in een mechanisme worden voorzien om inkomensvallen, als gevolg van al te rigide inkomensgrenzen om in aanmerking te komen voor de aankoop van een sociale kavel, weg te werken.
 
Sp.a vraagt dat de Vlaamse regering dringend werk maakt van deze passage uit het regeerakkoord. In afwachting daarvan vragen wij al dat de gemeenten overleg organiseren over de ontwikkeling van de beschikbare bouwgronden op hun grondgebied. Gemeenten die een aantoonbaar sociaal woonbeleid voeren, moeten o.i. de toelating krijgen om ruimtelijk verantwoord woonuitbreidingsgebieden aan te snijden. Zowel in het ontwikkelingsplan van de gemeentelijke bouwgronden als in de woonuitbreidingsgebieden moet dan wel 1/3de van de bouwgronden goedkoper aangeboden worden. Als het niet om eigen gronden gaat, moeten de gemeenten onderhandelen over de wijze waarop deze goedkopere bouwgronden moeten gerealiseerd worden. In het Vlaams parlement hebben Caroline Gennez en Bart Martens samen met collega’s van de meerderheid een resolutie ingediend die pleit voor meer instrumenten om de sociale mix in het wonen te realiseren.
(bron: antwoord op vraag van Anke Hintjens)

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-Share Alike 2.5 License.